|
Uw koninkrijk
Heer, wanneer ik
naar het leven kijk,
de bergen en de dalen,
verlang ik
naar uw koninkrijk,
waar iedereen
zal stralen.
Het lam zal bij de wolf
een rustplaats
kunnen vinden,
de adder speelt dan
met het kind,
geen vijand
die men dáár meer vind.
Maar Heer,
U hebt mij nu
een plaats gegeven,
hier op aard,
het mooiste heeft U
nog voor mij bewáárd.
Dank voor wat U
hebt gegeven
in uw Godd’lijk Woord,
een pad dat leidt
naar ’t eeuwig leven:
uw Koninkrijk,
Vrede-oord.
|
|
 |