Christus'
graf
Toen de avond
was gevallen,
ging Josef naar het kruis,
Jezus was gestorven,
hij vroeg Hem mee naar huis.
Zijn lichaam
werd gewikkeld,
in een doek van zuiver linnen,
in het nieuwe graf gelegd,
nog nooit was daar één binnen.
Als dan een
grote steen,
de toegang tot de wereld sluit,
wacht Maria stil en weent,
ze denkt Hij kan er niet meer uit.
De priesters
hebben het gehoord,
Hij zal opstaan uit de dood.
Zij die Hem hebben vermoord,
zijn angstig dat Hij wordt geroofd.
Geef wachters
bij de dood,
verzegel toch het graf,
opdat men niet gelooft,
zijn opstanding, dan gaan wij af.
De bewakers
kwamen streng,
geen mens zou binnengaan.
Zijn woorden zijn herinnering,
dat Hij zelfs op zou staan.
Het werd stil
de nachten,
met wachters voor het graf,
zij zouden met getrokken zwaard,
de rovers op staan wachten.
De sabbat
ging voorbij,
de rust was nu geweken,
en bij het ochtendgloren,
was er geen roof gebleken.
Maria kwam
bewenen,
haar geliefde in het graf,
toen plots de aarde beefde,
een engel daalde af.
In hagelwitte
kleren,
gelijk een bliksemflits zo snel,
werd de steen gewenteld,
van het graf op Gods bevel.
----------------------------
God is niet te vangen,
in geen graf of dood,
geen voorwerp van verlangen,
daarvoor is Hij te groot.
God is Vader,
Zoon en Geest,
God is Gever en Gave saam,
te groot voor onze gedachtenspinsels,
Hij is saamgevoegd in “Christus” naam.
n.a.v.
Mattheüs 27 en 28