Terug

 

 

Het kleine wereldje.

 

Ze zit ineengedoken

voor het raam,

de mensen zeggen

ze is oud

en ziet soms spoken

uit een ver verleden.

 

Ze wacht en wacht,

er komt niemand

even met haar praten,

en al noemt

ze ook haar klacht,

ze blijft alleen.

 

Ik kom binnen

en zie haar zitten

met haar speelgoedhond,

de poppen op haar bed,

dan komen al de zinnen

waar niemand meer op let.

 

Honderd maal

hoor ik het aan:

“Ik wil terug

naar waar ik woonde.”

Dan zie ik

in haar oog een traan.

 

Ze gaat praten over vroeger,

toen ze was een kind,

ze mijmert over sneeuw,

want ze houdt

niet van de zomer,

en over haar vrind.

 

Ze zegt

het is voorbij,

het kan niet meer,

elke avond denk ik,

misschien ben ik morgen

bij de Heer.

 

Ze lacht en zegt

fijn dat je er bent,

nu heb ik weer een preek.

Zo gaat het, elke week,

en straks

is ze weer vergeten

dat ik er ben geweest.