![]() |
|
|
|
Het kleine wereldje.
Ze zit ineengedoken voor het raam, de mensen zeggen ze is oud en ziet soms spoken uit een ver verleden.
Ze wacht en wacht, er komt niemand even met haar praten, en al noemt ze ook haar klacht, ze blijft alleen.
Ik kom binnen en zie haar zitten met haar speelgoedhond, de poppen op haar bed, dan komen al de zinnen waar niemand meer op let.
Honderd maal hoor ik het aan: “Ik wil terug naar waar ik woonde.” Dan zie ik in haar oog een traan.
Ze gaat praten over vroeger, toen ze was een kind, ze mijmert over sneeuw, want ze houdt niet van de zomer, en over haar vrind.
Ze zegt het is voorbij, het kan niet meer, elke avond denk ik, misschien ben ik morgen bij de Heer.
Ze lacht en zegt fijn dat je er bent, nu heb ik weer een preek. Zo gaat het, elke week, en straks is ze weer vergeten dat ik er ben geweest. |