Terug

 

 

De levensboom

De Landman zaait een zaadje,
het is een levensboom,
’t staat stralend in de zonne,
en aan een waterstroom.

Zo kan het weeld’rig groeien,
‘t wordt straks een grote boom,
zal het dan ook gaan bloeien
zodat er vruchten koom?

De takken worden zichtbaar,
een loot spruit nu al uit,
zoals in lenteleven voelbaar,
wordt het een groene spruit.

De Landman komt verzorgen,
dat jonge boompje, steeds,
en op een vroege morgen,
snoeit Hij een takje, reeds.

Ik kan het niet begrijpen,
hij groeit toch naar omhoog,
straks zal ’t een struikje lijken,
en niet een sterke boom.

De Landman gaat hem geven,
alles wat nodig is,
om straks als grote boom te leven,
vervolgt het werk wat Hij begonnen is.

Er komen steeds meer takken,
de stam wordt dik en groot,
het bladerdak is prachtig,
zodat het schaduw bood.

Weer komt de Landman snoeien,
een dikke tak breekt af,
de boom zal dood gaan bloeden,
als Hij geen aandacht gaf.

De wond is aan ’t genezen,
maar zichtbaar blijft het wel,
toch hoeft hij niet te vrezen,
dat hij nu wordt geveld.

Tussen de groene blaad’ren,
ziet men de eerste knop,
het voedsel haalt hij uit de aarde,
daar stáát de Landman op.

Prachtig bloeien nu de bloemen,
rood en groen en geel,
een wonderboom is het te noemen,
een vreugde als geheel.

De Landman staat te kijken,
Hij vindt de boom zo mooi,
zal hij nu straks ook prijken,
met een volle vruchtentooi?

Want vruchten moet hij geven,
niet enkel maar een bloemenpracht,
opdat hij krijgt het leven,
wat hem is toebedacht.

Het blad gaat nu verkleuren,
soms valt er eentje neer,
het zal niet lang meer duren,
dan komt de Landman weer.

De boom draagt nog steeds vruchten,
de Landman vindt ’t genoeg,
hij hoeft geen stormen meer te duchten,
Hij roept zijn werkersploeg.

De wortels worden uit de aarde
losgemaakt met zachte hand,
de Landman Hij bewaarde
zijn hele levensplant.

De werkers hebben hem geplant
in het hof van Eden,
daar in het tweestromenland
mag hij voor altijd verder leven.