De wijze en dwaze
meisjes
De meisjes trokken
uit
de bruid’gom
tegemoet,
de lampen zijn
gevuld
en branden nu nog
goed.
Ze komen aan de
poort
en wachten vol
geduld,
met vreugde is hun
hart
in deze tijd
vervuld.
Het wachten duurt
zo lang,
waar blijf nu toch
hun Heer
ze worden moe en
bang,
straks brandt hun
lamp niet meer.
Laat branden toch
je lamp,
de Heiland komt er
aan,
wanneer je Hem
ontmoet,
de feestzaal
binnengaan.
Vijf meisjes waren
klaar,
olie in overvloed,
ze leefden in het
licht
zoals een wachter
doet.
Vijf meisjes zagen
niets,
hadden geen olie
meer,
ze zagen niet de
komst,
van hun beloofde
Heer.
Toen kwam Hij
onverwacht,
maar vond hen niet
bereid,
ze waren nog op
pad,
hun lampen waren
uit.
Leef als de
meisjes wijs,
laat branden in de
nacht,
de lampen van ’t
geloof,
als u de Heer
verwacht.
Hij zegt dan ook
tot u,
kom in de
bruiloftszaal,
‘t feest kan
beginnen nu,
waarop Ik je
onthaal.
te zingen op de
wijs van gez. 315 L.v.K..