![]() |
|
|
|
Ze noemden jou mongool
Je was anders ze noemden je mongool, maar ik vond dat in die naam iets geks verschool.
Je was niet gek ik vond je aardig en jouw bijnaam vond ik minderwaardig.
Je was spontaan en telkens weer als ik de kerk uitkwam keek je op me neer.
Je sloeg je arm dan om me heen en in het bijzijn van iedereen gaf je mij een zoen.
Je zei, ik vind je lief, en –Jezus houdt van jou- je was een voorbeeld van geloof en trouw.
Na zoveel jaar denk ik nog vaak, wat ben jij groot in Gods koninkrijk, wat ben jij rijk.
Want vele groten zullen niet bereiken wat jij in eenvoud reeds bezat, vertrouwen in je Schepper, en liefde die je voor een ander had. |