Terug


 

Op reis.

 

Ik ben op reis

en wilde zelf

mijn weg bepalen,

tot mijn Reisleider,

mij van mijn weg

ging halen.

 

Het was een recht weg,

voor mijn gevoel,

zeker geschikt

om mijn doel

te bereiken.

 

‘k Moest een ander gaan,

een smalle pad,

met doornenstruiken,

maar, mijn Reisleider

ging vooraan.

 

Hij baande mij

de weg, en doornen

die mij voet verwonden,

heeft Hij verwijderd,

mij verbonden.

 

En na de doornenstruiken,

ging ik een heuvel op,

kwam moeizaam

op de top,

het uitzicht was zo mooi!

 

Ik wilde wel gaan rusten,

hier was het goed,

hier kon ik zingen,

Hij moest mij dwingen

door te gaan.

 

Ik ging dalen

aan Zijn Hand,

zodat ik niet zou vallen

en gebroken

aan de berg beland.

 

Hij wist de weg.

Leidde naar het pad,

die ik zelf

nooit gevonden had.

 

Zo mag ik

mijn reis vervolgen,

het leven door,

in zijn spoor,

tot aan het beloofde land.