![]() |
|
|
|
Je dankte God voor wat je had.
Je had haar kleertjes al gekocht, ik ben straks moeder zo dacht je, maar in één ademtocht verdween ze, naar haar Hoeder.
Geen tranen om te geven, te groot was jouw verdriet, bang voor een eenzaam leven, je zei dit wil ik niet.
Toch moest je het wel horen, nooit zou ‘t meer moog’lijk zijn, er wordt geen kind bij jou geboren, je schreeuwde: “God, het doet zo’n pijn”.
Dit zou je heel je leven dragen, je wilde het niet zien, je wilde God niet vragen: mag ik een beetje moed misschien?
Het dal was diep maar jij ging door en wáár jij ook maar liep, liep God steeds voor.
Toch kwam je tot erkenning: U die mij leven leidt, al wordt het nooit gewenning, brengt uitkomst op bestemde tijd.
Je hebt je weg gevonden, veel kind’ren bracht God op jouw pad, zo werd jouw wond verbonden, je dankte God voor wat je had. |