Terug

 


   

De Zoon van God,

Wanneer het volk

Maar wie wil dat geloven?

in volle duisternis,

Zo onbeduidend klein?

zijn weg wil gaan,

Kan die de redder

is daar zo plots

van de wereld zijn?

het hemels Licht,

 

Gods tijd breekt aan.

De herders mochten ’t horen,

 

geen koning en geen prins

Het vrouwenzaad

zagen de eng’len koren,

door God belooft,

maar een onbelangrijk mens.

dat eens de slang

 

vermorz’len zal,

Nu is de hemel

komt nu als hulploos kind,

door God zelf ontsloten.

geboren in een stal.

Hij zond zijn Zoon,

 

het liefste wat Hij had.

 

Om zo de weg voor ons te open

 

naar het Vaderhart.